koster 2

‘Indien nodig‚ kom ik kritiek geven in De Wereld Draait Door’

Het heeft even geduurd‚ maar Nederland krijgt nu echt zijn eigen mensenrechteninstituut. Op 2 oktober opent het College voor de Rechten van de Mens zijn deuren. Voorzitter Laurien Koster is er klaar voor. ‘We moeten mensenrechten in Nederland weer op de kaart zetten.’

‘Een luchtsprong’ maakte Laurien Koster op 19 april 2011 in de foyer van de Tweede Kamer‚ toen deze met ruime meerderheid instemde met de oprichting van het College voor de Rechten van de Mens. ‘Ik verliet de publieke tribune nog redelijk beheerst‚ maar in de foyer moest de energie eruit. Wow‚ het komt er nu écht‚ dacht ik. En toen die sprong’‚ vertelt Koster met een twinkeling van dezelfde blijdschap in haar ogen als ze toen moet hebben gevoeld.

 
Dertien jaar geleden werd het startschot gegeven voor de oprichting van een nationaal mensenrechteninstituut‚ tijdens een symposium van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten. Jarenlang getouwtrek volgde en wachten op goedkeuring van de Tweede en de Eerste Kamer. Maar op 2 oktober opent het College dan de deuren‚ in gezelschap van de koningin en de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties‚ Navi Pillay. Eindelijk heeft Nederland‚ jaren na de meeste Europese en Afrikaanse landen‚ een mensenrechten-instituut dat voldoet aan de normen van de Verenigde Naties.

 

‘Ik heb er natuurlijk dag in dag uit veel energie in gestopt‚ de laatste jaren‚ terwijl anderen erover beslissen. Steeds denk je: komt van uitstel geen afstel? Als het dan toch doorgaat‚ ben je gewoon erg blij’‚ zegt Koster in haar kantoor van de Commissie Gelijke Behandeling in Utrecht‚ dat straks opgaat in het College voor de Rechten van de Mens. Ze zit expres met haar rug naar het raam dat uitkijkt op de gang. ‘Dan zie ik niet wie mij misschien wat wil vragen. We zijn allemaal hard bezig de opening van het College voor te bereiden.’

 

Wat voor functie krijgt het College nu precies? Die van nationale waakhond voor alle mensenrechten in Nederland‚ legt Koster uit. ‘Mensenrechten belichten‚ bewaken‚ bevorderen en beschermen. Dat is nodig‚ want het verschil tussen mensenrechten en andere rechten is in Nederland ondergesneeuwd. Van alle Europese jongeren weten de Nederlandse het slechtst wat mensenrechten zijn. Ze noemen wel vrijheid van meningsuiting en van godsdienst‚ en Amnesty International. Maar de meesten zien het als iets wat vooral met het buitenland te maken heeft.’

 

‘Mensenrechten moeten in Nederland duidelijker op de kaart gezet worden’‚ vervolgt ze. ‘Iedereen moet weten welke rechten hij of zij heeft en wat voor bescherming hij mag verwachten tegen schendingen daarvan door de staat of door medeburgers. Als je mensenrechten herkent‚ vervalt meteen de vrijblijvendheid bij de bescherming ervan.’

‘In Europa weten Nederlandse jongeren het minste van mensenrechten’

Het College zal daarvoor onderzoek doen naar mensenrechten in Nederland en vervolgens verbetering van die rechten ‘bemoedigen’‚ zegt Koster. ‘Dat vind ik een mooier woord dan lobbyen‚ maar het is natuurlijk hetzelfde.’ Samenwerking met organisaties als Amnesty is daarbij essentieel‚ vindt ze. ‘Zij zitten vaak tot in de haarvaten van de samenleving.’
Veel praten dus‚ en met de juiste mensen op de juiste plek aanwezig zijn. ‘Wij zetten mensenrechten zo nodig volop in de schijnwerpers.’ Maar is het zo slecht gesteld met de mensenrechten in Nederland? Als je het vergelijkt met sommige landen in het Midden-Oosten of Afrika natuurlijk niet‚ zegt Koster. ‘De gemiddelde burger hoeft niet bang te zijn dat hij ’s nachts van zijn bed wordt gelicht. Maar let op‚ ik zeg: de gemiddelde burger. Als mensen met een bepaalde huidskleur me vertellen dat ze regelmatig worden aangehouden‚ denk ik: dat is míj nog nooit overkomen.’

 

Lange tijd dacht Koster zelfs dat geen van haar rechten ooit was geschonden – totdat de Commissie Gelijke Behandeling onderzoek liet doen naar discriminatie op het werk van zwangere vrouwen en moeders met jonge kinderen. ‘Ik heb zelf drie kinderen. Toen ik het eindrapport las‚ herkende ik zó veel. Dat ik anders werd behandeld tijdens en na mijn zwangerschappen… Ik vond dat destijds frustrerend‚ maar heb dat nooit geduid in termen van recht. Terwijl ik nog wel jurist ben. Ongelooflijk‚ dat er in 35 jaar bijna niets is veranderd op dat gebied.’

 

In Nederland moeten we dan ook oppassen dat we niet ten onder gaan aan onze eigen tevredenheid‚ waarschuwt Koster. ‘Als het zo goed gaat in ons land‚ mag je niet voorbijgaan aan het lot van mensen die kwetsbaar zijn.’

 

Een ervaring die haar sterkte in deze overtuiging‚ was de samenwerking met rechters in Rwanda in 2008. ‘Een life changing event’‚ vindt Koster. ‘Wat ik daar zag aan motivatie en betrokkenheid‚ heeft me aan het denken gezet. Die rechters‚ vaak met een gebrekkige opleiding en met weinig ervaring‚ moesten mensen berechten wegens genocide die soms tot hun eigen familie behoorden. Toen realiseerde ik me als nooit tevoren hoeveel mogelijkheden we in Nederland hebben op juridisch gebied. Maar de vraag is of we daar wel optimaal gebruik van maken.’ Koster stuit vaak op mensen die‚ wijzend naar een land als Rwanda‚ zeggen dat het in Nederland wel goed zit met mensenrechten – een gedachtegang die volgens haar de komst van het College mede heeft vertraagd. Ze heeft dan direct een antwoord klaar‚ zegt ze strijdbaar: ‘Als het dan zo goed gaat‚ moeten we ook álles op het gebied van mensenrechten goed aanpakken. Alleen dan vervult Nederland een voorbeeldfunctie.’

 
Zorgelijker vindt ze het als mensenrechten als ‘linkse hobby’ worden afgedaan. Zo werd de Commissie Gelijke Behandeling‚ waarvan Koster sinds 2008 voorzitter is‚ meerde keren ‘multicultiknuffelclub’ genoemd en eindigde een columnist zijn stukjes herhaaldelijk met ‘overigens ben ik van mening dat de Commissie Gelijke Behandeling moet worden afgeschaft’. Koster: ‘We moeten weer laten zien dat mensenrechten een norm zijn‚ een gedeelde waarde. Niet een concept waar je vóór of tegen kunt zijn. Daarom zijn we destijds het gesprek aangegaan met critici‚ zoals een van de fractieleden van de PVV en enkele columnisten. Dat waren verhelderende ontmoetingen‚ we kregen uiteindelijk begrip voor elkaars standpunten.’ Kritiek ga je sowieso niet uit de weg‚ meent Koster. ‘Het is goed ernaar te luisteren en ervan te leren.’
Is er geen gevaar dat het nieuwe mensenrechteninstituut dubbel werk gaat doen‚ en zich op het terrein begeeft van andere partijen die zich met mensenrechten bezighouden‚ zoals de Nationale ombudsman? Koster is er niet bang voor. ‘Het college is een onafhankelijk instituut‚ ingesteld door de Nederlandse staat om mensenrechten te belichten en te beschermen’‚ doceert ze. ‘De staat heeft als het ware zijn eigen bewaking in het leven geroepen.

 

Het College gaat mensenrechten op alle niveaus onderzoeken‚ zoals de rol die ze spelen tussen burgers onderling‚ in de relatie tussen leerlingen en scholen‚ tussen werkgevers en werknemers en tussen de overheid en burgers. De Nationale ombudsman op zijn beurt behandelt individuele klachten van burgers. Dat doet het College niet‚ behalve als het gaat om mogelijke discriminatie‚ om ongelijke behandeling.’
Koster verwacht niet dat er verwarring over het College zal ontstaan. ‘Er zijn toch meer instanties met dezelfde onderwerpen bezig? Mensen met klachten gaan tegenwoordig eerst het internet op. Als er iets is waarvoor ze hulp nodig hebben‚ vinden ze de juiste instantie wel. We gaan daarnaast zelf alles doen om duidelijk te maken wat onze rol is‚ via campagnes en mensenrechteneducatie op scholen.’ Indien nodig zal Koster zich in de media even kritisch uiten als Nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer soms doet‚ zegt ze. ‘Je kunt niet altijd pappen en nat houden. Als het nut heeft‚ zal ik kritiek uiten. De Wereld Draait Door heeft me nog niet uitgenodigd‚ maar als ze dat doen‚ ga ik er zeker zitten.’
Wat gaat het College als eerste aanpakken? De ratificatie bespoedigen van het VN-Verdrag voor de Rechten van Mensen met een Beperking‚ zegt ze. Nederland behoort tot het kleine groepje landen dat dit verdrag nog altijd niet heeft geratificeerd. ‘Dat vind ik op zijn zachtst gezegd jammer’‚ zegt Koster. ‘We weten allemaal dat mensen met een beperking onvoldoende toegang hebben tot het dagelijkse leven in Nederland. Bij reizen‚ bij wonen‚ bij werk.’

 
De staat staart zich onnodig blind op de kosten die naleving van het verdrag met zich zou meebrengen‚ vindt Koster. ‘Ze moeten ook kijken naar de opbrengsten: meedoen aan de maatschappij. Bovendien verwacht niemand dat heel Nederland op het moment van ratificatie meteen volledig aangepast is aan mensen met een beperking. Dat heeft tijd nodig.’

 

Andere belangrijke punten voor het College worden de behandeling van vreemdelingen‚ de ouderenzorg en discriminatie op het werk. Maar over details kan Koster nog niet praten; die worden de komende tijd in ‘nauw overleg met betrokken partijen’ bepaald.

 
Veel werk aan de winkel dus voor het College. Maar beschikt het daarvoor over genoeg middelen? ‘Het vertrekpunt is allesbehalve ideaal’‚ zegt Koster. Nadat ze het bedrag noemt‚ 600 duizend euro per jaar‚ voegt ze toe: ‘Eigenlijk is het disproportioneel.’ Ter vergelijking: de Commissie Gelijke Behandeling kreeg 5 miljoen per jaar voor haar taken. Het nieuwe College‚ dat de taken van de Commissie Gelijke Behandeling overneemt‚ krijgt er voor al die extra taken niet meer dan zes ton bij.
Dat uit zich in het beperkte aantal nieuwe mensen dat het College kan aannemen: drie parttime collegeleden en maximaal tien fulltime medewerkers‚ naast de 45 werknemers die de Commissie Gelijke Behandeling heeft. ‘Gelukkig hebben we afgesproken over twee jaar de financieringsbehoefte te evalueren. Dan kunnen we met praktijkvoorbeelden laten zien wat we echt nodig hebben.’

 

Wat verder tegenvalt‚ is dat het College niet naar de rechter kan stappen‚ wat mensenrechteninstituten in EU-lidstaten als Groot-Brittannië wel kunnen. Koster: ‘Dat hadden we natuurlijk ook graag gewild.’ Ze zegt wel meteen dat dit een uiterste middel is‚ naar de rechter stappen; dat er eerst vele andere wegen te bewandelen zijn. ‘Maar je wilt natuurlijk maximale bevoegdheden. Er kan een moment komen – als je bijvoorbeeld werkt met groepen die minder sterk in hun schoenen staan‚ zoals ouderen en vreemdelingen – dat je denkt: en nú gaan we naar de rechter. Dat kan dus niet.’ Het College moet dan anderen laten procederen of kan bijvoorbeeld een Amicus Curiae-brief (begrip uit de rechtspraak: een ‘bevriende brief’ met een advies over een rechtszaak) sturen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

 
Waar het idealisme of de drijfveer van Laurien Koster voor haar werk vandaan komt‚ vindt ze een ongemakkelijke vraag. ‘Idealisme‚ ik weet niet of ik een idealist ben.’ Ze komt uit een nest van juristen‚ haar vader en drie van haar vijf broers studeerden ook rechten. ‘Maar het was bovenal een ondernemersgezin‚ in die geest zijn we allemaal opgegroeid.’ De drang mensen hun rechten kenbaar te maken‚ is in de loop van haar carrière ontstaan. ‘Ik heb op alle terreinen van het recht gewerkt‚ zowel straf- en familierecht als faillissements- en civiel recht. Wat ik steeds meer voor ogen kreeg is: een recht hebben is iets anders dan hem gerespecteerd krijgen. Daar wilde ik iets mee. Is dat idealisme? Het is toch heel normaal als ik zeg dat mensen niet moeten worden buitengesloten omdat ze een beperking hebben of een kleurtje? Anderen maken een andere professionele keuze. Ik doe dit.’